Wijlen Mattia Pascal

Luigi Pirandello, Nobelprijswinnaar in 1934, schreef talloze toneelstukken, vele kortverhalen en een rits romans, waarvan Wijlen Mattia Pascal met recht en rede de meest bekende is.

De Mattia Pascal uit de titel zit door zijn eigen onkunde en die van zijn familie in de schulden. Hij hokt samen met zijn liefdeloze vrouw en feeks van een schoonmoeder en werkt voor een karig loon in de dorpsbibliotheek. Niemand leent er ooit een boek, zijn voornaamste taak is het vangen van de ratten. Mattia Pascal besluit te vluchten uit deze verstikkende wereld. Op de terugweg van dit plezierreisje leest hij in de lokale krant dat hij zelfmoord heeft gepleegd en dat zijn vrouw en schoonmoeder het lijk hebben geïdentificeerd. Bevrijd van deze twee hellevegen en andere schuldeisers, besluit hij te herrijzen als Adriano Meis. Met hetzelfde schele oog, maar zonder baard en met lange haren.

Wijlen Mattia Pascal is een aanrader. De bizarre plot is spannend en intelligent, ze smeekt om een dure netflixbewerking, en drijft het boek vooruit. Mattia Pascal is een amusante en sympathieke ik-verteller die je zonder enige moeite meetrekt in zijn avontuur van zwarte humor en onversneden Italiaans drama.

Een van de hoofdthema’s in het werk van Pirandello is identiteit en ook in dit boek speelt het de hoofdrol. Wie is Mattia Pascal? Is hij degene die in Rome rond dwaalt als Adriano Meis of toch degene die in het graf ligt? Als hij aan zijn eigen graf staat, herdenkt hij dan zichzelf of degene die daar ligt? Is hij nog getrouwd met zijn vrouw als hij terugkeert als de nog levende Mattia Pascal? Is hij nog getrouwd met zijn vrouw als zij denkt dat hij dood is? Wie is Adriano Meis? Wie was zijn grootvader? En als hij zijn haar laat groeien en zijn baard afscheert, is hij dan niet meer Mattia Pascal, maar wel Adriano Meis? Kan Adriano Meis wel trouwen met Adriana Paleari als Adriano Meis? En zo gaat het het hele boek op amusante wijze lang.

Hoe je wel weer dat het boek uit 1902 stamt, zijn de uitweidingen over Theosofie en Mysticisme, die in Wijlen Mattia Pascal belichaamd worden door Paleari, de Romeinse huurbaas van Adriano Meis. Theosofie was een zweverige esoterische religieuze beweging die vooral eind 19de eeuw in opgang was. Paleari is een grote believer van deze theorieën en ook een van de sleutelscènes speelt zich af tijdens een seance. Dik honderd jaar later komen deze uitweidingen een tikkeltje ouderwets en ver gezocht over.

Maar dat is eigenlijk maar een detail in een voor de rest zeer vlot en sympathiek boek over (sociale) identiteit.

Lievelingspersnage: Signorina Caporale
Quote: Ik kon aan de lijve ondervinden dat de mens, wanneer hij lijdt, zich een geheel eigen beeld vormt van goed en kwaad, dat wil zeggen van het goed dat de anderen hem behoren te doen en waar hij aanspraak op maakt alsof hij aan zijn narigheden het recht op compensatie zou ontlenen; en van het kwaad dat hij de anderen kan doen, alsof hij daar naar evenredigheid van zijn eigen lijden toe gerechtigd zou zijn. En wanneer de anderen hem niet goed doen alsof het hun plicht is, beschuldigt hij hen, terwijl hij voor al het kwaad dat hij bedrijft alsof het zijn recht is, makkelijk verontschuldigingen vindt.

Geplaatst in Ik lees U leest | Tags: , | Een reactie plaatsen

Honger

De vergaderingen van het Genootschap van het Genot van het Boek staan wijd en zijd bekend als een orgie van intellectualistische praat, overgoten met liters alcohol en de meest verfijnde en op het betreffende leesvoer toepasselijke, doch immer op legale wijze verkrijgbare versnaperingen. Helaas, tijdens de laatste vergadering leden de Leden van het Genootschap honger. Ze kregen nog net een glaasje water voorgeschoteld, en ternauwernood een stokje om op te knabbelen.

Het Genootschap van het Genot van het Boek las immers Honger van Knut Hamsun, Nobelprijswinnaar in 1920. Hamsun is de grootste Noorse schrijver ooit (Honger wordt beschouwd als de eerste psychologische roman en het begin van de literaire 20ste eeuw), maar hij collaboreerde zwaar met de nazi’s  waardoor Noorwegen tot op vandaag worstelt met wat het met deze schrijver moet aanvangen. Je kunt een behoorlijke boom opzetten over het feit of je de kunst van de kunstenaar kan of mag of moet scheiden, maar voor een dergelijke zware discussie knorden de magen van het Genootschap te hard.

In Honger probeert de verteller, een geschoolde jongeman, in Kristiania/Oslo de eindjes aan elkaar te knopen, voornamelijk door zijn schrijfsels te verpatsen aan de lokale kranten. Dat lukt niet zo goed, waardoor de roman een rauwe en verbijsterende inkijk levert in wat armoede en honger met een mens doen. Het hoofdpersonage fascineerde het Genootschap. Net zoals in Het museum van de onschuld is het opnieuw een tragische figuur. De verteller zit opgesloten in zijn trots en vast in zijn eigen gedachten, waardoor hij op kafkaiaanse wijze onvermijdelijk in de problemen komt en honger lijdt. De leden van het Genootschap zochten een boek lang het antwoord op de vraag “is het de honger of eerder de persoonlijkheid van het hoofdpersonage zelf die ervoor zorgt dat hij geen hulp wilt of zoekt.”

Honger was voor het merendeel van de leden geen makkelijke opdracht. Het boek leest traag, niet zozeer door de moeilijke woorden, maar door de introverte stijl. Bovendien is het raadzaam de hoeveelheden tenenkrommende miserie in kleine dosissen binnen te nemen. Het Nieuwste Lid vond het niet allemaal honger en waanzin, want het was aandoenlijk te lezen hoeveel hulp het hoofdpersonage aangeboden kreeg. Dat de verteller er niet zoveel mee deed is voor rekening van hemzelf (het personage, niet het Nieuwste Lid).

“Hij doet me op een vreemde manier denken aan Mr. Bean”, merkte Het Nieuwste Lid ook op, ondertussen starend naar het glaasje kraanwater waar er eigenlijk 2 lege glazen wijn en een halve fles whiskey had moeten staan. En dat is eigenlijk wel een passende vergelijking. Rowan Atkinson beschreef Bean ooit als “… essentially a child trapped in the body of a man.” De verteller maakt telkens weer dezelfde fout en blijft hopen dat het goed zal komen, zoals een peuter koppig kan blijven proberen de vierkante blok in de cirkel te duwen. En net zoals je toch gefascineerd naar Bean blijft kijken, ook al is het vaak over the top, zo blijf je ook in deze indrukwekkende roman lezen.

Het Genootschap van Genot van het Boek keerde met knorrende maag en knarsende tanden terug huiswaarts, desalniettemin gingen de Leden perfect voldaan naar huis.

Geplaatst in Ik lees U leest | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Het wilde plein

Een regel over de woeste zee of ander natuurelement
Iets tegenstrijdig uit de mensenwereld
Nog een regel over een droom niets met voorgaande te maken
En vaak ook nog iets over donkerte, lijden of eenzaamheid

Ik heb moeite met poëzie. En het ligt aan mij, niet aan de poëzie. Wisława Szymborska, een andere Nobelprijswinnares, was nog best te pruimen. Maar Tranströmer, dat is niets voor mij. Dat is poëzie waar je heel hard voor moet werken. Als je het gewoon leest heeft het niet veel betekenis (je moet lezen lezen) en bovendien zijn de gedichten niet speciaal muzikaal of wondermooi geformuleerd.

Tomas Tranströmer was een Zweedse poëet die vanaf 1954 zijn bundels op de wereld losliet. Hij ontving de Nobelprijs in 2011 omdat hij ons met zijn verdichtende doorschijnende beelden een nieuwe toegang geeft tot de werkelijkheid. In 1990 kreeg hij een beroerte die hem deels verlamde en ook zijn spraakvermogen aantastte. Hierna bleef hij verder poëzie schrijven die nog fijner werd. Voor zijn beroerte werkte hij als psycholoog, ondermeer in een centrum voor jeugddeliquenten.

Transströmers gedichten zijn opgebouwd uit beschrijvingen die dan naast andere beschrijvingen worden gezet waaruit een spanningsveld ontstaat. Dat is soms boeiend, maar altijd vermoeiend om te lezen omdat de tekst zijn waarde pas loslaat na lang staren naar de woorden.

Het wilde plein is een bundeling van zijn volledige oeuvre tot 1990, vertaald door J. Bernlef. Hier en daar was er een stukje of soms zelfs een heel gedicht dat me in deze bundeling aansprak. En ik kan ook begrijpen waarom sommige mensen dit mooi of boeiend vinden, maar mij deed het niet zo veel. Parels voor een lui onwetend zwijn.

Favoriet gedicht:

Schubertiana – IV

Zoveel waarop wij moeten vertrouwen om ons dagelijks bestaan
te kunnen leven zonder door de aarde te zakken!
Vertrouwen op de sneeuwmassa’s die zich aan de berghelling
boven het dorp vastklampen.
Vertrouwen op de zwijgbeloften en de glimlach van verstandhouding,
erop vertrouwen dat ongelukstelegrammen niet ons gelden en dat
de plotselinge bijlslag uitblijft.
Vertrouwen op de wielassen die ons over de snelweg dragen
te midden van de driehonderd keer vergrote stalen bijenzwerm
Maar niets van dat alles is eigenlijk ons vertrouwen waard.
De vijf strijkstokken zeggen dat wij op iets anders kunnen vertrouwen.
Op wat? Op iets anders, en zij volgen ons een eindweegs daarheen.
Zoals wanneer het licht op de trap uitschiet en de hand –
vol vertrouwen – de blinde tastende armleuning volgt in het duister.

Geplaatst in Ik lees U leest | Tags: , | Een reactie plaatsen

Sneeuwval

Hoogmoed, pure hoogmoed was het. En hoogmoed doet je wel eens van een besneeuwde berg donderen.

De zoektocht naar een nieuwe Nobelprijswinnaar bracht me bij Yasunari Kawabata. Die heeft nogal wat boeken geschreven, maar wikipedia kon me vertellen dat Sneeuwval met zijn 146 pagina’s algemeen als zijn meesterwerk wordt beschouwd. Na de 600+ bladzijden van De Buddenbrooks zou ik dit boekje op een week uit hebben. Tot zover de hoogmoed. Sneeuwval lezen vergelijken met het eindeloos de berg op rollen van een rotsblok gaat wat ver, maar het heeft me verrekt energie gekost om dit niemanddalletje uit te lezen.

Sneeuwland gaat over Shimamura, een bemiddelde getrouwde man die een verhouding heeft met de geisha Komako, maar achter haar rug naar Yoko (een verwante van Komako) lonkt. De doodzieke man van Komako vormt de andere punt van de dubbele driehoeksverhouding (heb ik vooral van de achterflap begrepen). Het boek speelt zich af in een Japans bergdorp ergens tussen de twee wereldoorlogen. Het dorp trekt rijke toeristen aan door zijn warmwaterbronnen en besneeuwde bergflanken waar je op skiën kan. Shimamura ontdekt Yoko op de trein onderweg naar het dorp (maar wisselt er geen woord mee) en ontmoet vervolgens de geisha Komako. Komako wordt verliefd op Shimamura die er alle moeite mee heeft om die liefde op gepaste wijze te beantwoorden.

Kawabata schrijft erg hermetisch. Anderen zullen zijn schrijfstijl “poëtisch” noemen. Ik kreeg in elk geval nauwelijks een hele bladzijde per keer gelezen. Het verhaal, dat ook al niet veel om het lijf heeft, wordt erg gecondenseerd beschreven zodat je eerder naar een bonsai zit te staren dan dat je een fikse boswandeling maakt. Een goede roman hoeft niet noodzakelijk ergens over te gaan of veel plot hebben, ik ben wel fan van boeken die een detail zo kunnen uitpuren en daar bladzijden lang over kunnen blijven gaan (bv. Knausgard). Maar in Sneeuwland botste ik toch een beetje op mijn (Westerse) grenzen. Het boekje kabbelt zo rustig voort dat bij het lezen zowel de tijd als mijn hersenen leken stil te staan.

Bovendien had ik nog nooit eerder een Japanse roman gelezen. De wereld van geisha’s en Japanse tradities en gewoontes is nogal moeilijk te volgen zonder voorkennis. En ik vermoed dat de kracht van het boek net in het al-dan-niet volgen van al die ongeschreven wetten ligt. Maar ik zag het niet en ik begreep het niet. Twee goede voorbeelden hiervan zijn de relatie van Komako met “een andere man” en die van Yoko met haar stervende man. Telkens als hiernaar verwezen werd, kroop er een onderhuidse spanning in het verhaal. Maar de echte betekenis en traditie achter Japanse huwelijken en geisha’s en hun klanten ontgingen me als Westerse lezer. Meer zelfs, als je het boekje vlug doorbladert dan is Shimamura in feite maar een afstandelijk flauw ventje en Komako een oppervlakkig wicht.

Mocht ik nu eerst een cursus Japanse geschiedenis hebben gevolgd, dan had ik dit boek waarschijnlijk beter begrepen en liever gelezen. Nu werd het een gevecht met een tekst waarin ik de finesses niet echt kon vatten.

  • Favoriete personage: Yoko
  • Quote: Shimamura leidde een leven van nietsdoen. Vaak benauwde hem het onnatuurlijke en onwaarschijnlijke van zijn levenswijze en dan trok hij die bergen in om zichzelf te hervinden.
Geplaatst in Ik lees U leest | Tags: | Een reactie plaatsen

Zandkastelen bouwen

Na mijn midlife-crisis word ik life coach. In het voor- en najaar ga ik met CEOs, sales en project managers, vice presidents en local trial managers zandkastelen bouwen.

Ik steek ze allemaal in een proper maar oud krakend hotel ergens aan de Noord-Franse kust (Paris-le-Touquet lijkt me wel wat), waar er elke avond traditionele eerlijke Franse kost wordt geserveerd in de eetzaal met zicht op zee. En de smart phones van de schare CEOs en entrepeneurs blijven liggen aan de receptie, dat spreekt voor zich.

Elke dag begint met een groot wit blad waar wij onze verlangens en onze angsten aan toe vertrouwen. Rond deze woorden ontwerpen we een kasteel. Dan is er vrije tijd tot twee uur voor de vloed (als ik in een goede bui ben, krijgen ze hun telefoon dan even in hun handen), maar we vertrekken stipt naar het strand. Wie het laatst aan de receptie is, moet het materiaal dragen.

Op het strand bouwen we ons zandkasteel. Eerst tekenen we een plattegrond. Dan trekken we 10 meter voor het kasteel een streep in het zand en beginnen we aan de slotgracht (een zandkasteel zonder slotgracht is geen zandkasteel maar een zielig hoopje zand). We maken het mooiste en grootste en verfijnste zandkasteel ter wereld. Per retraite is er ook de felbegeerde prijs voor de hardste werker. En ik geef als coach sowieso het goede voorbeeld en werk aan een hoog maar toch vol te houden tempo mee aan de kantelen, de putten, de wegjes. Degene met de grootste babbel stuur ik met een emmertje ver weg om mooie schelpjes te zoeken. Want een zandkasteel dat niet versierd is met mooie schelpjes, dat is geen zandkasteel, maar een zielig hoopje zand.

Als de golven de tienmeterstreep bereiken, veranderen de regels. Vanaf dan mag er niet meer aan het kasteel zelf gewerkt worden. De vlag wordt op de hoogste toren gezet en we werken we alleen nog maar aan grachten en muren om het wassende water tegen te houden.

Dan bereikt het water het kasteel zelf en alle schoppen worden neergelegd. Ik trek een dure fles champagne open en we kijken hoe de golven het prachtige kasteel centimeter per centimeter opslokken totdat er helemaal niets meer van over is. “Zo gaat dat”, zal ik telkens weer op dat moment mompelen en dan raap ik de schoppen bijeen en trek zonder nog een woord te zeggen terug naar het hotel.

Ik had gedacht aan een 3.000€ per persoon per dag (hotel en eten inclusief) voor deze once in a lifetime life changing retraite. Vervoer niet inbegrepen. Voor een meerprijs kan ik ook voor enkele kinderen zorgen die een uurtje komen meehelpen.

Inschrijven kan via het contactformulier of via een comment op deze post.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

De Buddenbrooks

Thomas Mann is een van de klinkende namen op de Nobelprijslijst. Vreemd genoeg kreeg hij de prijs niet voor een van zijn meest iconische werken Dood in Venetië, De toverberg of Doktor Faustus. De jury prees in 1929 vooral De Buddenbrooks , ook al was het boek ondertussen meer dan 25 jaar oud. Voor mij dus de vraag welk boek ik zou lezen. Ik stond in de bibliotheek met de novelle Dood in Venetië (160 bladzijden) in de ene hand en De Buddenbrooks (616) in de andere, maar omwille van de nobelprijsjury, werd het De Buddenbrooks.

De Buddenbrooks heeft als ondertitel Verval van een familie. Het vertelt de geschiedenis van 4 generaties Buddenbrooks, een koopmansfamilie uit Lübeck (de geboortestad van Mann). Het boek uit 1901 is een intrigerende tijdsmachine over het leven in de 19de eeuw van de Duitse bovenklasse. Bij die periode kon ik me maar weinig voorstellen en dat maakte het boek erg boeiend. Dit miniuniversum in Lübeck met senatoren en consuls, kuuroorden aan zee, de kille afstandelijkheid en het uiterste belang van voornaam voorkomen van de hogere klasse wordt treffend neergezet doorheen de 600 pagina’s. Soms lijkt het wel of de personages van een andere planeet komen, zo ver staan ze af van het hier en nu. Toch schetst Mann ze een voor een met veel eerbied en liefde, waardoor ze zoals het in een roman van dit formaat hoort, helemaal tot leven komen. Zelfs de vele nevenpersonages komen helemaal tot hun recht. Hier graag een speciale vermelding voor twee van hen, Doktor Grabow wiens standaard medicijn “een duifje met stokbrood” is en de zenuwachtige tandarts Brecht die zonder verdoving de tanden trekt van de Buddenbrooks.

Mann vertelt de geschiedenis van De Buddenbrooks in een verassend moderne stijl. De alwetende verteller beschrijft droog wat er zich afspeelt in de hoofden van de personages. Hij zal nooit uitweiden over verleden of toekomst, maar blijft consequent in het heden en schetst de familiegeschiedenis aan de hand van verschillende momentopnames, een kerstfeest, een vakantie aan zee of het 100-jarig bestaan van de zaak. De schrijver registreert deze momenten met een zekere afstandelijkheid. Een ander modern element is dat Mann bepaalde belangrijke dingen slechts terzijde benoemd, zonder al te expliciet aan te duiden wat er aan de hand is, zoals het bloemenmeisje van Johann Junior die in de Fishergrube woont.

Aan andere dingen merk je dan wel weer dat het een boek van 1901 is. Mann heeft de gewoonte elk personage gedetailleerd te beschrijven, of het nu de knecht is die een telegram komt brengen of een van de hoofdpersonages; ze worden allemaal uitvoerig van boven tot onder becommentarieerd. Hierdoor was het boek soms wel een opgave om te lezen. Naast deze langdradige gewoonte heeft Mann ook vaak veel pagina’s nodig om zijn punt te maken. En als de ondertitel “verval van een familie” is, verwacht je spectaculaire plotwendingen en dramatische ontknopingen. Die blijven grotendeels uit, het boek heeft een begin en kabbelt dan rustig door tot de laatste pagina’s, het verval waarvan hier sprake is eerder als een oud Duits kasteel dat steen na steen aftakelt. Het verval van waarden wordt aangetoond, maar het ineens instorten van een toren zou toch een beetje spannender zijn.

Alles aan De Buddenbrooks boek is koel, afstandelijk, beredeneerd met een tikkeltje speelse ironie. Boeiend om te lezen, maar soms wat langdradig.

  • Quote: “Ik ben toch geen gansje meer”
  • Lievelingspersonage: Tony Buddenbrook
Geplaatst in Ik lees U leest | Tags: | 1 reactie

Het museum van de onschuld

Het Genootschap van het Genot van het Boek bezocht Het museum van de onschuld en dat leverde een waaier aan tripadvisor commentaren op. Voor de ene is dit museum in Istanbul een must-see, voor de andere een saaie stoffige hoop voorwerpen van een zielige verzamelaar.

In het boek leidt Kemal, een rijkeluis zoontje van een Istanbulse industrieel, als een echte conservator de lezer door zijn museum. Het museum vertelt het liefdesverhaal van hemzelf en Füsün aan de hand van een eindeloze reeks voorwerpen. Dat liefdesverhaal begint als Kemal voor zijn verloofde Sibel een handtas gaat kopen in de winkel waar Füsün werkt. De twee beginnen een relatie die duurt tot het verlovingsfeest van Kemal en Sibel.

Het museum van de onschuld is geschreven door Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk. Hij kreeg het idee een 20tal jaar geleden en ging eerst op zoek naar een huis waarin hij het verhaal kon laten afspelen. Het boek verscheen in 2008, het museum ging open in 2012. Er zijn 83 tentoonstellingskasten (voor elk hoofdstuk een) en je kan gratis naar binnen met het ticket dat in het boek is afgedrukt.

Het museum van de onschuld verdeelde het Genootschap in twee kampen. Over een aantal zaken kon iedereen het nog eens zijn:

  • Kemal is zowel het zieligste hoofdpersonage als de meest onbetrouwbare verteller uit de romangeschiedenis.
  • Het museum van de onschuld is een prachtige liefdesverklaring aan Istanbul. En net zoals Istanbul op de grens ligt tussen Oost en West, vertelt dit boek het verhaal van de modernisering van Turkije en de verscheuring tussen het traditionele Oosten en het nieuwe Westen.
  • Er hadden, zeker uit de tweede helft, wel wat pagina’s uit gekund (hoe vaak kan je naar een vogel gaan kijken?)
  • Het museum van de onschuld leest even vlot als een ritje in een liefdevol onderhouden roestbruine Chevrolet, maar blinkt niet uit in een imposante schrijfstijl (kan ook aan de Nederlandstalige vertaling liggen).
  • Het museum van de onschuld deed ook ons denken aan Lolita, met de veel oudere Kemal die met Füsün herinneringen ophaalt toen zij nog een klein meisje was.

Zover was alles peis en vree in het Genootschap. Maar dan kwamen de meningsverschillen; Het museum van de onschuld had fervente voorstanders, die het raamverhaal van de voorwerpen in het museum een geniale kapstok vonden, die genoten van hoe Kemal alle dialogen en gebeurtenissen in zijn eigen voordeel interpreteerde en hoe hij van Füsün uiteindelijk ook niet meer maakt dan een lijdend voorwerp in zijn museum. Voorstanders die Kemal zijn stuitend gebrek aan moed net boeiend vonden.

En Het museum van de onschuld had even fervente tegenstanders die goed snapten wat de bedoeling van deze roman was, maar zich ergerden aan Kemal, die zich maar blijft wentelen in het verdriet. Die het een doodsaai en slaapverwekkend boek vonden dat maar op dezelfde vanzelfsprekende nagels met de dezelfde hamers bleef kloppen. Die zich stoorden aan het feit dat Füsün nergens in het boek een eigen stem krijgt, maar als een pratende Barbie in het museum wordt gezet.

De discussie van het Genootschap van het Genot van het Boek was heftig, er werd net niet op elkaar geschoten, maar de verschillen werden uiteindelijk op Istanbulse wijze weggevaagd met liters Raki, een rookgordijn en ijskoude Meltemlimonade. En de jaarlijkse excursie , die eventueel naar het echte museum zou gaan, is, om een schisma in het Genootschap te voorkomen, voor onbepaalde tijd uitgesteld.

  • Favoriete personages:
    • Tante Nesbe
    • Limon de vogel
    • De chauffeur

Aantal (tripadvisor)sterren: * * *

Quotes:

In de verte was het fluitje van de verkeersagent op het Nişantaşı-plein te horen, een paar claxons, het geluid van hamerslagen. Een kind schopte tegen een blikje, een meeuw slaakte een kreet, er brak een glas en de platanen ruisten in een zachte bries.

Het feit dat Sibel voor het huwelijk met me geslapen had schreef ik toe aan liefde en vertrouwen, en het feit dat Füsun hetzelfde had gedaan schreef ik toe aan moed en modernheid. Daaruit viel alleen maar de conclusie te trekken dat ik tegenover Füsun geen bijzondere verantwoordelijkheid en verbondenheid zou voelen, omdat zij tenslotte uit ‘moed en modernheid’–een compliment waarvan ik nog jaren zou betreuren dat het me ontvallen was–met mij naar bed was gegaan.

Omdat ook van overspelige of verkrachte vrouwen en prostituees die door de politie waren opgepakt foto’s in de krant verschenen die voorzien waren van zulke zwarte balken, leek het net of je op een gemaskerd bal ronddwaalde, als je in die jaren een krantje zat te lezen. Overigens verschenen er in die periode maar bijzonder weinig foto’s van Turkse vrouwen zónder zwarte balk voor de ogen in de krant, afgezien van zangeressen, danseressen en kandidaten voor schoonheidswedstrijden, van wie men toch al aannam dat ze het niet te nauw namen met de zeden. Liever publiceerde men foto’s van buitenlandse vrouwen die geen moslim waren, ook in reclames.

‘Maar het leven loopt altijd anders dan we bedacht hadden, meneer Kemal.’

Onze musea moeten niet laten zien hoe onze rijken zich westers menen te voelen, ze moeten laten zien hoe wij leven.

Geplaatst in Ik lees U leest | Tags: , , | 2 reacties