Het eerste wereldprobleem: wachten aan een verlaten rood licht.
Als ik in de auto zit, vind ik het gewoon vervelend. Met de fiets of te voet is het pure tijdsverspilling. Soms is er genoeg tijd om over het zebrapad te kunnen kruipen. Maar toch moet ik wachten tot het rode mannetje weggaat en vervangen wordt door een groen ventje. En wat doe je dan? Blijven staan en mopperen tegen de verlaten zebrastrepen? Of door het rood lopen? Maar wat als er een moeder plus kind aan de overkant staan? Dan moet je toch het goede voorbeeld geven en blijven staan?
De oplossing: aan elke kant van het zebrapad een trampoline. Je kan over de auto’s heen springen. Bovendien zorgt het voor extra lichaamsbeweging en meer fun in de straten. Te gevaarlijk of te moeilijk zegt u? Dan voeren we naast het rijbewijs categorie C ook een rijbewijs categorie T in. Naast een theoretisch gedeelte (voornamelijk meetkunde en elementaire fysica) is er ook een praktische proef: verschillende afstanden en figuren springen. En achterwaarts parkeren natuurlijk.
Bonus van deze oplossing is dat we tegen de volgende olympische spelen vast en zeker iemand in de finale trampolinespringen hebben.
Heeft u zelf nog eerste-wereldproblemen? Laat iets weten in de comments en de dodo helpt u uit de nood.
Als een donderstorm die vanuit de verte aan komt rollen, hoor je ze gillen en tieren. De deuren gaan open en ineens is de bus veranderd in een groot speeltuig waar op en over geklommen en gehangen wordt.
Een groepje jongetjes, gemiddelde leeftijd dertien, staat stoer te doen in het midden van de harmonicabus. De achterbank is ingenomen door nog stoerdere oudere kerels.
“Brilsmurf! Dat is mijn paal”, zegt een jongetje tegen zijn buurman. De smurf doet of hij niets hoort, en concentreert zich op zijn paal in het midden van de harmonicabus.
“Brilsmurf! Dat is Franky zijn paal”, roept een ander tenger jongetje. Maar de smurf is doof.
De grootste van het troepje stapt naar de paal. Hij draagt een Superman t-shirt en kan zich nog net vastgrijpen aan een handvat als de bus linksaf draait aan het ziekenhuis.
“Laat los, kleine”, zegt hij. Maar de kleine is nog altijd doof. Dus peutert Superman de handen los van de dove smurf.
“Niet doen. Ik mag hier ook staan”, piept het jongetje.
“Dat is de paal van Franky” zegt Superman en trekt met alle macht aan de laatste vinger.
Brilsmurf verzet zich, bijt op zijn tanden, de laatste vinger moet lossen, de bus neemt een aanloop om de helling richting winkelcentrum te nemen, Brilsmurf vliegt als een gewichtloze astronaut door de bus om dan met een droge smak vlak voor de voeten van een groepje meisjes neer te komen. De jongens lachen. De meisjes ook. Een klein dik jongetje kijkt zwijgend toe. Hij staat tussen de meisjes.
Dit is een kort stukje waarin de schrijver zich met een privaat of publiek vervoersmiddel verplaatst en daardoor in contact komt met andere, onbekende mensen. De schrijver pikt een zinnetje, kledingstuk, houding of situatie uit deze toevallige ontmoeting en extrapoleert dit gegeven zodat hij kan reflecteren op de maatschappij. Vaak ergert de schrijver zich aan het zinnetje, kledingstuk, houding of situatie en dient zijn reflectie om de ergernis van zich af te schrijven. In andere gevallen herinnert de persoon die het zinnetje uitspreekt, het kledingstuk draagt of de houding aanneemt, de schrijver aan iets of iemand uit het verleden, waar hij in nostalgische termen over kan uitweiden.
Dit is een kort stukje waarin het niet over eten gaat. Geen recept, noch een pleidooi voor of tegen het eten van vlees. Dit is ook geen verplicht stukje dat de schrijver schrijft omdat er een exclusief pakketje in de post zat of omdat de schrijver in hoogsteigen persoon een hyperexclusief event mocht frequenteren. Dit is ook geen beschrijving van het laatste gadget of product dat de onlinewereld zal veranderen.
Dit is een kort stukje, met veel korte alinea’s omdat de schrijver weet dat het stukje anders toch niet gelezen wordt. Alhoewel de schrijver vindt dat zijn mening er toe doet en hij liefst nog pagina’s door zou willen gaan, houdt hij het kort want hij wordt nog liever gelezen dan gerespecteerd om zijn mening.
De schrijver zal een link naar dit stukje op de geeikte sociale mediakanalen plaatsen in de hoop dat anderen mensen het delen met hun sociale kennissen.
Het stukje eindigt met een krachtige zin die al het voorgaande samenbalt.
Voor me zit een man. Een doorsnee man. Ergens tussen de 30 en 50. Zwart haar. Kort geknipt Geen hippe snor. Geen baard. Hij kijkt naar buiten. Niet dat er buiten veel te zien is. Een rijtje huizen in de kille ochtendmist.
De buschauffeur vloekt op een fietser die nog net voor hem in schiet.
Aan de andere kant van het gangpad zit een doorsnee vrouw. Ergens tussen de 20 en 40. Bruin halflang haar. Niet heel mager. Niet heel dik. Geen hippe snor. Geen baard. De vrouw luistert naar een muziekje op haar smartphone.
Een scherpe bocht naar links. Iedereen wobbelt van rechts naar links en weer terug. De volgende halte.
Een bijzondere vrouw stapt op. Ze is ergens tussen de 20 en 40. Bruin halflang haar. Niet te mager. Niet te dik. Ze draagt een uniform van de busmaatschappij. Ze heeft een petje op van de busmaatschappij. Ze heeft een bordje met papieren. Vermoedelijk van de busmaatschappij.
De onopvallende man kijkt niet meer naar buiten. Hij zit kaarsrecht. De onopvallende vrouw luistert naar haar muziek en kijkt naar haar jeans. De volgende halte.
De onopvallende man schiet naar de uitgang, blijft op het knopje duwen totdat de de deur open gaan en landt met één sprong op het voetpad. De onopvallende vrouw kijkt op.
De deuren gaan weer dicht. De opvallende vrouw komt voor me staan. Ze kijkt me diep in de ogen. Ze zegt met hese stem: “excuseer Meneer, wij houden een enquete onder onze klanten in verband met de dienstverlening. Zou ik u enkele vragen mogen stellen?”
Hij stapt op de bus. Sneakers ter waar van een half maandloon. Een knellende zwarte jeans. Nonchalant gekreukeld t-shirt. Gigantische koptelefoon op zijn hoofd. Zijn hoofd met zorgvuldig in de war gebracht haar wuift zachtjes mee met elke vierde tel. Hij laat achteloos zijn abonnement zien. Daarna stapt hij zelfbewust tot he-le-maal achteraan de bus. Hij lacht zijn tanden bloot naar een verlegen meisje.
Dan gaat hij zitten op voorlaatste rij. Andere muziek door zijn gigantische headphones. Zijn chirurgisch perfect kapsel wuift nu wat harder op neer. Hij amuseert zich de te pletter, hij durft zelfs te knipogen naar de oude dame aan de andere kant van het gangpad. De bus is ondertussen aan de andere kant van de stad. Onze koptelefoonman drumt nu met zijn handen op zijn dijen en geeft zich helemaal. Zijn sneakers trappelen op de vloer. Als de chauffeur voorbij het park dendert, neemt hij een flesje cola uit zijn manbag en draait het in één ruk open. De cola spuit eruit en voordat de bus voorbij het oorlogsmonument pruttelt, hangt de koptelefoon, de manbag, het chirugisch perfecte kapsel en de drumbroek onder de cola. De oude dame knipoogt schalks terug.
Voor de Olympische Spelen van 1976 werd, zoals voor elke Spelen, een nieuw atletiekstadion gebouwd. De Franse architect Taillibert tekende een gedurfd, futuristisch design. Een hellende toren waarin een groot zeil verstopt zit en dat met behulp van een hydraulisch systeem op de ovaal kan worden geplaatst. Kijk even naar het filmpje om te zien wat ik bedoel.
Op papier vind ik het nog steeds een elegant stadion. Iets wat overduidelijk tot de jaren 70 hoort en waar Montreal nu nog trots op zou moeten zijn. Maar in plaats van een visionaire landmark zoals de eifeltoren of het atomium is dit stadion al 40 jaar de favoriete grap van Canada.
The big O was niet eens op tijd af. Door stakingen en overmoedige planning werden de Spelen gehouden zonder dak. Zelfs de toren had nog niet zijn gewenste hoogte. Maar het echte cynisme begon pas na de Spelen. Het stadion werd elf jaar later min of meer volgens de plannen van Taillibert afgewerkt, maar het daksysteem bleek in de praktijk niet zo goed te werken. De hydraulische systemen bleven hangen en het dakzeil scheurde herhaardelijk. Het originele dak werd dan maar afgebroken. Er kwam een nieuw zeil van kevlar. Dit dak scheurde helemaal open door de pakken sneeuw die elke winter in Montreal valt. Er werd een ander systeem bedacht waarbij het dak verwarmd werd en de sneeuw zou smelten. Dat ging enkele jaren goed, maar het dakzeil versleet veel sneller dan verwacht, door de extreme koude in de winter en grote hitte in de zomer. Dan werd er geopteerd voor een permanent dak. Zelfs vandaag vind je nog artikels over nieuwe herstellingen en plannen aan het ondertussen afbetaalde stadion. Want Montreal ’76 zou zo’n krater in het budget van de stad slaan, dat het tot 2006 duurde voordat The big Owe afbetaald was. Er werd zelfs een extra belasting ingevoerd op tabak om de schuldenput te dempen.
Laten we zeggen dat dit ingenieus bouwwerk 20 jaar te vroeg gebouwd is. En waarschijnlijk ook in de verkeerde stad, met zijn extrem temperatuurverschillen. Dat zou niet zo erg zijn, als het stadion tenminste gebruikt zou worden. Maar net zoals naar geld, is het al 30 jaar zoeken naar sportploegen die het stadion willen gebruiken. De lokale baseball ploeg speelde er meer dan 20 jaar elk seizoen een 80tal wedstrijden, maar eigenlijk was het stadion niet geschikt voor deze sport. Grote delen van de tribunes konden niet gebruikt worden door het beperkte zicht. Als iemand een homerun sloeg, ketste de bal terug het veld in, waardoor men met gele lijnen op het dak moest aangeven wanneer het een homerun was en wanneer niet. Het lokale voeltbal team speelde er tot voor kort zijn playoff wedstrijden, maar besliste enkele jaren terug om hun eigen kleine stadion uit te breiden.
Montral Olympic Stadion was begroot op 163 miljoen en zou, interest, herstellings -en gebruikskosten in 2006 al 1.47 billioen dollar opgeslorpt hebben. Een dure prijs voor optimisme, overmoed en een disfunctionele hoop beton waarin niemand in spelen wil.
Ze zitten naast elkaar. De bus schokt van links naar rechts. Zij botst af en toe tegen zijn schouder. Hij kijkt naar haar handen. Ze prult met de ene nagel aan de andere. Is zij niet veel te jong voor die neuspiercing? En dat ringetje in haar wenkbrauw? Dat moet toch pijn hebben gedaan.
“Ik ben blij dat ik gekomen ben”, zegt hij.
Zij kijkt op hem naar hem, naar zijn miezerig sikje en glimlacht.
“Het was maar kort”, gaat hij verder.
“Je moet ook van ver komen”, zegt ze fluisterzacht en kijkt naar buiten. De bus wacht voor een verkeerslicht. Buiten springen twee honden naar elkaar. De baasjes snokken aan de leiband.
“Zie ik je straks terug online?”
Zij kijkt van de honden naar de jongen en glimlacht voorzichtig. “Ja” piept ze als een klein musje. “Wel pas heel laat. Mijn vader is weer thuis. Ik mag niet op de computer na negen. Dus moet ik wachten tot hij slapen gaat.”
“Dat is goed. Ik zie je wel verschijnen.”
De bus vertrekt weer en draait het stationsplein op. De jongen neemt zijn zwarte rugzak met pinnen op zijn schoot. Als de bus stopt valt hij bijna op haar. Ze wrijft nerveus door haar haar en glimlacht naar het sikje. De jongen mompelt een excuus en staat recht.
“Dag.”
Het meisje glimlacht een seconde. Ze prult met haar lange zwarte haren.
“Tot vanavond.”
De bus rijdt verder. De jongen blijft even staan en zoekt iets in zijn zakken. De speakers van de bussen vermengen zich met de aankondigen van de trein.
Het Comité ter Bevordering van het Lezen van het Genootschap van het Genot van het Boek (in de volksmond ook wel Het Comité genoemd) roept iedereen op om ook met een leesclub te beginnen. Wij van Het Comité zijn er rotsvast van overtuigd dat deelname aan een dergelijke activiteit zal zorgen voor een succesvollere carrière, een beter seksleven en vermoedelijk meer papier in uw huishouden.
Het Comité heeft de te volgen regelgeving samengevat in tien eenvoudige stappen.
Verzamel uw beste vrienden om u heen. Liefst om een boekenclub mee te beginnen. Maar als uw vrienden liever kaarten, verwijzen wij u graag door naar een lokale kaartvereniging.
Iemand kiest een boek. Het boek mag nog door niemand eerder gelezen zijn (dit om te vermijden dat iedereen zijn favoriete boeken kiest).
Alles wat op de een of andere manier gelezen moet worden komt in aanmerking: romans, gedichten, comics, boodschappenlijstjes, atlassen, enz.
De belangrijkste stap. Alle leden lezen het boek. Het Comité wil benadrukken dat deze stap erg belangrijk is voor het hele proces.
Degene die het boek gekozen heeft kiest de locatie ter bespreking. Wij hebben proefondervindelijk vastgesteld dat het bespreken van het boek best plaats vindt met een volle maag. Een discussie op basis van een brunch of een hoofdgerecht en dessert heeft het meest kans op slagen.
Het bespreken van het boek houdt u best simpel. Geen gedoe met vertelstandpunten en stijlfiguren. Een rondje ‘vond je het boek goed en waarom wel niet’ en u bent vertrokken voor een pittige discussie.
Leden die het boek niet (helemaal) gelezen hebben zijn welkom op de bespreking, maar een gezonde portie hoon zal hun deel zijn.
Op het einde van de bespreking, gaat u terug naar stap twee.
Op het einde van het jaar wordt er een boek van het jaar gekozen. Stemgerechtigd zijn zij die alle boeken gelezen hebben.
Zoek een idioot die een verslagje op een blog zet.
Ze zitten op de eerste rij.
“Nu Machiels op pensioen is, heb ik een nieuwe dokter.”
Ze kunnen meezingen met het radiootje van de chauffeur.
“Een echte snotneus. Hij zou twee keer mijn zoon kunnen zijn.”
Een grote roze winkeltas op hun schoot. Uit de ene steekt een grote bussel prei.
“Hij wil alles maar veranderen. alsof Machiels niet wist waarmee hij bezig was.”
Zij steekt een klein wit zakje met een groen kruis in haar roze winkeltas.
“Hier zie. Een heel nieuwe voorraad. Meer dan 80 euro! Veel minder pillen zegt hij. Maar wel twee keer zo duur als die van Machiels.”
De ander knikt en kijkt naar buiten.
“En met die nieuwe pillen mag ik dus niet autorijden.”
De bus trekt met veel misbaar op en knalt door een winkelstraat.
“Ik zeg tegen hem: ‘dan geraak ik toch nergens meer. Ik rijd nog elke week met de auto naar de markt. Samen met mijn beste vriendin, maar jij schrijft mij wat andere pillen voor en nu zou ik dat niet meer mogen doen? Hoe geraken wij dan op de markt'” vraag ik hem. “En weet je wat hij zegt?”
“Nee”, zegt de andere zonder haar blik van buiten af te wenden.
“Dan moet je vriendin maar rijden,. Dat zei die. Maar je kan helemaal niet autorijden. Wanneer had je dat wel moeten leren. Wat denk die snotneus wel?”
De ander mompelt iets instemmend. De bus hobbelt verder. De prei wipt op en neer in de roze tas.