Ten zuiden van de grens, ten westen van de zon

In Ten zuiden van de grens vertelt Hajime over alle vrouwen die zijn pad hebben gekruist. Hij begint bij zijn eerste grote liefde Shimamoto, het mooie mankende meisje met wie hij elke namiddag naar dezelfde platen luisterde. Hij werkt het lijstje af tot en met zijn huidige vrouw. Hajimi is niet meteen het sympathiekste personage uit de wereldliteratuur. Hij is een egocentrische, kleurloze figuur die zijn hele leven lang van de ene situatie in de andere rolt zonder er zelf veel invloed op uit te oefenen. Nu heeft Hajime twee succesvolle jazzclubs in Tokio, een mooie vrouw en twee lieve kinderen. Maar ook dat is hem meer overkomen, dan dat hij er zelf iets voor heeft gedaan.

Ten zuiden van de grens leest als een sneltrein. Murakami kan als geen ander eenzaamheid en banaliteit op papier zetten. Hij schrijft zo goed dat je zelfs supportert voor een kleurloze vod als Hajime. Toch zijn er weinig schrijvers waarover de meningen zo uiteenlopen als over Murakami. De magisch-realistische touch die ook in Ten zuiden van de grens zit, polariseert. Je bent voor Murakami zijn gefoefel met wat kan en wat niet kan, of je bent er tegen. Het zijn bijna dezelfde discussies die de voor- en tegenstanders van de regisseur David Lynch verdelen.

In het tweede deel van het boek duikt de eerste grote liefde van Hajime weer op. Maar veel komen wij en het hoofdpersonage niet te weten over de volwassen Shimamoto. Ze wil niets loslaten over haar verleden of heden. Soms zit ze in één van zijn nachtclubs. Soms ook niet. En met elk mysterieus bezoek wordt Hajime gedwongen om zich een ander heden voor te stellen, eentje waarin hij het contact met Shimamoto niet had verbroken. Ten zuiden van de grens gaat over hoe werkelijk de werkelijkheid is. En over wat had kunnen zijn maar misschien nooit zou kunnen gebeuren.

Het Genootschap van het Genot van het Boek hield aan Ten zuiden van de grens een leuke discussie over. De voorstanders vonden het een goed boek, hoewel het toch niet kon tippen aan Murakami’s bekendere werken zoals bijvoorbeeld Norwegian Wood. De tegenstanders vonden het goed geschreven en boeiend, maar vinden één werkelijkheid al moeilijk genoeg. In elk geval, een boek van Murakami houdt je als lezer scherp tot de laatste bladzijde.

Geplaatst in Ik schrijf U leest | Tags: , , , , | 2 reacties

Turf war

Het is oorlog. Elke avond opnieuw. Wie er precies begonnen is, weet niemand nog. Maar het zal doorgaan tot er bloed vloeit. Bloed of erger.

Kijk, daar komt de eerste protagonist. Hij springt op het muurtje dat het braakland van de kantoorgebouwen scheidt. Een sprong van wel twee meter. Met beheersing. En kracht. Ik heb hem ooit drie meter zien springen. Zijn rivaal, die sluipt het hoekje om. Laag tegen de grond komt hij dichter. Maar zijn tegenstander heeft hem al gezien. En laat van zich horen.

Ineens zijn ze er allemaal. Vanuit alle gaten en kieren komen ze tevoorschijn. Alsof ze de hele dag hebben zitten wachten. Ook zij ruiken bloed. Ook zij ruiken de spanning die als elektriciteit van schutting tot schutting zindert.

Het is oorlog. Elke avond opnieuw. Wie hier eerst was, doet niet meer ter zake. Het zal doorgaan tot een van hen dit braakland als het zijne opeist. En de andere afdruipt.

Dan gaat het snel. De eerste protagonist heeft het hoogtevoordeel, dus zijn rivaal gaat voor het verrassingseffect. Voor je met je ogen kan knijpen, is hij bij zijn tegenstander en haalt uit. Het bloed spuit op de muur. De andere haalt ook uit en dan wordt het moeilijk om te volgen. Ze duiken over onder achter elkaar. De aanvaller druipt af.

Met opgetrokken rechterachterpoot hinkt hij van het terrein. Zijn rivaal blaast nog één keer. En likt dan zijn bloedende poot schoon. De toeschouwers maken zich ook uit de poten. Genoeg bloed gezien voor één avond.

Geplaatst in Ik schrijf U leest | Tags: , , , , | 3 reacties

Caledonian Canal

Mijn eerste witte olifant is meteen een heel erg grote. Zo groot dat hij tegenwoordig met zijn gat tussen de sluisdeuren blijft steken.

In het begin van de 19de eeuw ging het niet zo goed met de gemiddelde Schot. Landeigenaars wilden overstappen van de traditionele gemengde landbouw naar de veel lucratievere schaapsteelt. Daarvoor had men veel minder werkvolk nodig. Hele dorpen werden ‘leeggemaakt‘ in de overbevolkte en hongerende Highlands en velen emigreerden. Deze clearance is nog steeds een symbool in de Schotse vrijheidsstrijd.

Voor de overgebleven Schotten moest er werk gevonden worden. Daarom werd er in 1803 geld vrijgemaakt voor de bouw van het Caledonische kanaal. Dat kanaal zou drie grote Schotse meren met elkaar verbinden en zo een kortere en veiligere route creëren om van de Noordzee tot de Atlantische oceaan te varen.

Het kanaal heeft een lengte van bijna 100 km, waarvan 35 km door een 2000-tal ongeschoolde werkers letterlijk met de schop werden uitgegraven. Er zijn ook 29 sluizen waarvan de trap van Neptunus wel de spectaculairste is (acht opeenvolgende sluizen die boten twintig meter hoger brengen). Het hele project is een wonder van techniek en brute mankracht. Het duurde dan ook twaalf jaar langer dan gepland en kostte de belastingbetaler twee keer meer dan eerst voorzien was.

Toen het kanaal in 1822 eindelijk af was, heersten de stoomboten over de waterwegen. Die boten waren te breed voor het smalle kanaal. Het Caledonische kanaal heeft nooit veel economische waarde gehad. Enkel in de twee wereldoorlogen werd het gebruikt als een veiligere en snellere route. Het kanaal is nu voornamelijk een spectaculaire toeristische attractie, die stoutmoedige historiek combineert met spectaculaire Schotse natuur.

Geplaatst in Ik heb een mening U leest | Tags: , , , | 1 reactie

Druppel

’s Avonds laat spoelt de regen alle uitlaatgassen van de straat. Een jongeman beent voorbij de houten schutting. Stopt. Tast in zijn broekzak. Zijn telefoon. De druppels druipen van zijn neus op zijn jas.
“Maar.”
Daar racen ze verder naar beneden.
“Maar dat heb ik toch niet zo gezegd.”
Tot aan de zoom.
“Je begrijpt het niet.”
En van zijn jas op zijn doorweekte sneakers.
“Maar meisje, luister nu toch eens naar mij.”
Als hij op en neer wipt, komen er bubbeltjes uit zijn sneakers.
“Luister nu toch eens.”
Hij staat met zijn linkervoet in een plas.
“Natuurlijk loop ik weg als jij op mij begint te roepen. Ik laat me niet zomaar beledigen!”
Hij laat zijn hoofd rusten tegen de houten schutting. Een andere druppel zoekt zijn weg. Van zijn kruin.
“Laat gewoon zitten.”
Naar zijn nek.
“Ik heb hier echt geen zin meer  in.”
Hij duwt op zijn telefoon en steekt die terug in zijn zak. Hij leunt tegen het hout. Een auto rijdt voorbij. Wit. Mercedes. Hij volgt de rode achterlichtjes. Handen in zijn zakken.

De telefoon rinkelt opnieuw. Hij keilt het ding in de richting van de auto.

De GSM spat uiteen op het glinsterende wegdek.

Geplaatst in Ik schrijf U leest | Tags: , , , | Plaats een reactie

Witte olifant

De albino-olifant is in Thailand al eeuwen een heilig dier. Bovendien symboliseert hij de macht van de koning. Tot op de dag van vandaag wordt elke witte olifant aangeboden aan de Thaise vorst. Volgens Wikipedia heeft die er momenteel tien. Nog volgens Wikipedia zijn de meeste witte olifanten niet echt wit, maar heel licht bruin. Ze worden zelfs een beetje roze als ze nat worden.

De legende wil dat de koning van Siam (de oude naam van Thailand) vroeger een witte olifant schonk aan leden van het hof die zich niet zo hoffelijk gedroegen. Dergelijk koninklijk geschenk kon natuurlijk niet geweigerd worden, hoewel het onderhoud van zo’n beest bijna altijd het faillissement van de onbeschofterik betekende.

Sinds de 19de eeuw is een ‘white elephant’ “a possession entailing great expense out of proportion to its usefulness or value to the owner”. De term wordt vooral gebruikt voor grootschalige prestigeprojecten die veel geld kosten, maar nooit de initiële investering terugverdienen. Het woord duikt in elke Engelstalige krant op als het over de organisatie van de olympische spelen of een wereldkampioenschap voetbal gaat. Je komt het ook vaak tegen in geschiedenisboeken, maar dan voor grootschalige ondernemingen die, voordat ze hun investering terugbetaald hadden, voorbijgestreefd werden door nieuwe technologie. In het Nederlands bestaat de uitdrukking niet. Waarschijnlijk omdat wij Vlamingen en Nederlanders nog nooit du jamais van zijn leven niet een nutteloos prestigeproject hebben gebouwd.

Ik ben gefascineerd door de witte olifanten. Ze zeggen meer over de menselijke aard en zijn maatschappij dan dikke filosofische traktaten. Daarom dat ik met een lijstje begin. Van de mafste en meest geldverslindende witte olifanten in de geschiedenis.

Suggesties zijn altijd welkom.

Geplaatst in Ik heb een mening U leest | Tags: | 5 reacties

De sigaar

In het uiterste hoekje van het braakland zijn twee jongetjes druk in de weer. Ze staren naar een doosje. Degene met het meeste water in zijn kelder haalt nonchalant een aansteker uit zijn zak.
“Kijk eens hier”, zegt de ander en hij opent voorzichtig het doosje. Een blinkende sigaar lacht beide heren toe.
“Dat is een grote”, zegt die met zijn kelder en graait hem fluks uit het doosje. Hij wisselt de aansteker voor zijn zakmes en zet het ding aan het topje.
“Je doet hem kapot!” roept de ander.
“Dat moet zo, snul”, antwoordt zijn kameraad en geeft hem een fikse duw. “Let maar op.”
Hij snijdt behendig het topje eraf, steekt de gigantische sigaar in zijn mond en houdt de aansteker erbij. Dan zuigt hij een paar keer alsof hij terug aan de borst hangt.

De andere heer kijkt gespannen toe. Bij de eerste tien trekken gebeurt er niets.
“Je doet vast iets verkeerds” roept de ander en steekt zijn arm uit.
“Afblijven” mompelt die met de sigaar in zijn mond en duwt de het jongetje voor de tweede maal van hem af.

Dan komt er opeens rook uit zijn mond. Eerst een heel klein beetje. Hij zegt niets maar zijn gezicht glimt van triomf. Hij neemt nog een trek. Zijn mond wordt een rokende vulkaan. Hij kucht en proest en rochelt. De sigaar valt op de grond. Net als hijzelf

Zijn vriend buigt zich over hem en geeft hem een bemoedigend klopje.
“Je doet vast iets verkeerds”.
Hij raapt de smeulende sigaar op en steekt hem in zijn mond.

Geplaatst in Ik schrijf U leest | Tags: , , | Plaats een reactie

De wandelsport

Het is nacht. Zelfs in de donkerste krochten van de stad zijn de laatste dronkaards vriendelijk maar vastberaden buiten gezet. Twee jongens lopen in een strak tempo over de verlaten straat. Ze hebben wijde broeken en hoodies aan. De witte heeft een wenkbrauwpiercing.

De jongens zeggen niets, maar wandelen stevig door. Met elke stap tinkelt het ene metaal tegen het andere. Een eenzame gele auto rijdt voorbij. Met een man in een kraaknet kostuum. Een kat kijkt vanuit de dakgoot naar de jongens en waarschuwt haar soortgenoten. Maar die jagen verder, op muizen, honden en elkaar.

Ze komen aan het braakland. Voor het eerst kijken ze elkaar aan. De zwarte knikt. Zijn compagnon draait zich om en kijkt naar links, naar rechts, de andere haalt vliegensvlug een spuitbus uit zijn broekzak, hij zet zijn stempel op de houten planken. Voordat de verf nog maar droogt, zijn ze alweer een straat verder.

Een politiecombi stopt naast de jongens. De agent aan het stuur draait zijn raampje naar beneden.
“Nog zo laat op stap?”
“Het is een mooie avond, meneer”, antwoordt de zwarte.
“Avond. Het is midden in de nacht.”
“Maar zo’n mooie nacht met heldere hemel, meneer.”
“Moeten jullie nog niet in jullie bed liggen?”
“Eigenlijk wel meneer, maar we wilden nog een wandelingetje maken.”
“Wij doen dat graag. Wandelen.”
“Dat is een mooie sport, vindt u ook niet, meneer.”
De man antwoordt niet, maar doet teken naar zijn collega en samen stappen ze uit.
“Wij zulllen jullie wel even naar huis brengen. Dat is dan weer onze favoriete nachtsport.”

Geplaatst in Ik schrijf U leest | Tags: , , , | 2 reacties

Brandstapel

Ik heb me de voorbije weken blauw geërgerd aan de hele heisa over de cultuursubsidies. Dat het nogal boertig is om de hele zwik zonder aankondiging op een vrijdagnamiddag online te zetten, daar is iedereen het wel over eens. Maar om dan naar aloude traditie de riek boven te halen om De Minister Van Cultuur op de brandstapel te zetten, lijkt me vooral een erg makkelijke manier om het niet over de inhoud te moeten hebben.

Daarom dat ik jullie allemaal deze analyse van Wouter Hillaert in rekto:verso wil sturen. Die heeft eerst de adviezen gelezen en dan pas zijn mening gevormd. Bovendien onstaat er in de comments een beleefde inhoudelijke discussie. En dat op tinternet!

Geplaatst in Ik heb een mening U leest | Tags: , , | 1 reactie

Wilde bloemen

Midden tussen de hoge appartements- en kantoorgebouwen is er een lege ruimte. Een verloren tand in een voor de rest perfect stadsgebit. Een braakliggend stuk, afgezet met rottende houten planken. Drie zijn voor de helft afgebroken. Groot genoeg voor kinder -en junkielichamen. Op het terrein vechten het onkruid en de brokken beton voor elke vierkante centimeter. Hier en daar doet een paardenbloem of een klaproos mee voor de schoonheidsprijs.

Vroeger stonden hier een paar rijhuisjes. Het laatste ging twee jaar geleden tegen de grond. Een oud brokkelend geval. Met smoezelige gordijntjes en een doorzakkend dak. Na de graafmachines kwamen de planken. En nu. Een groot, mooi, reclamebord. Bier. Verre reizen. Auto’s. Minuscule bikini’s.

Een meisje huppelt behendig tussen de brokken steen. Ze plukt de paardenbloemen. Ze plukt de klaproosjes. Eén voor één. Haar witte kleedje met rode bollen heeft bruine en groene strepen van het gras en de modder. Een druppeltje bloed druipt langzaam langs haar gebruinde linkerbeentje. Maar ze zoekt ongestoord verder. Tot haar linkerhandje nog net rond de steeltjes kan.

Ze kruipt door het gat. Een jongen zit tegen het houtwerk op de grond. Met haar vrije hand speelt ze verlegen met haar haar. Ze steekt resoluut het bosje uit naar de jongen.

‘Voor jou’, zegt ze zacht. Een bus dendert voorbij.
‘Wat?’ roept de jongen.
‘Voor jou’, zegt ze iets harder.
De jongen neemt de bos bloemen en kijkt op naar haar.

Maar door de zon die zich net achter haar jurkje schuil houdt, ziet hij enkel een verblindende schaduw. Een tweede bus dendert voorbij.

Geplaatst in Ik schrijf U leest | Tags: , , , | Plaats een reactie

Rokers aan de uitgang van het ziekenhuis

Zaterdagnacht. Eén uur. Aan de uitgang van het ziekenhuis heerst rust. Geen auto’s of mensen op straat. Gedempt licht in de gangen. Dit in tegenstelling tot andere plaatsen in de stad.

Een stoppelbaard schuifelt op zijn pantoffels door de gangen. Grijze pyjama. Groene kamerjas. En een infuus op wieltjes. Pantoffeltje na pantoffeltje. Schuifelt hij naar de nachtuitgang. De deur gaat open. Hij haalt een gevouwen bierkaartje uit zijn zak en hangt het over het rode oog. Hij tilt zijn infuus over de drempel en gaat op het bankje zitten.

Rubber op de linoleum vloer. De wielen tinkelen zachtjes met elke omwenteling. Het rubber piept halsstarrig als de man de drempel raakt. Hij hupt er met zijn stoel behendig over. Een grijze pyjama. En een zwarte kamerjas. Geen pantoffels. Blote voeten. De rolstoelpatiënt haalt twee sigaretten uit het zakje van zijn kamerjas en toont ze aan de infuuspatiënt. Hij steekt de eerste sigaret aan. Dan de tweede met behulp van de eerste. Ze nemen allebei een diepe haal en blazen de rook naar de wolken.
‘Daar had ik nu eens zin in.’
‘Die nemen ze niet meer van ons af.’

Ze kijken hoe de rook zich rondom de sterren kringelt. Het is zaterdagnacht. Eén uur. Aan de uitgang van het ziekenhuis heerst rust. Geen auto’s of mensen op straat.

Geplaatst in Ik schrijf U leest | Tags: , , , , | Plaats een reactie